pap

Ik besef weer wat een hopeloze romanticus ik ben. De voorstelling die ik mij al jaren van het doodgaan heb gemaakt, had niet verder naast de werkelijkheid kunnen zijn. Ik heb mij een familie voorgesteld die staand rond het bed van de pater familias de laatste uren van zijn leven meemaakt. De vrouwen met een zakdoekje in de hand, dat ze af en toe in hun ooghoeken drukken. De mannen met hun hoofd enigszins naar voren geneigd. Als het moment van verscheiden dan daadwerkelijk zou aanbreken, zou pap nog een laatste keer spreken. Een afscheid, een bekentenis (heb ik dan toch die halfbroer) waarna zijn hoofd naar opzij zou vallen en ik zijn ogen met mijn volle hand zou sluiten. Maar mijn vader is Bonanza niet…

We zijn nog niet echt aan het waken. Ik loop wel vaker even binnen. Omdat dat fijn is en ook gewoon omdat het nu nog kan. Het is inmiddels duidelijk geworden dat pap aan zijn laatste loodjes bezig is. Ogenschijnlijk zijn het geen zware laatste loodjes. Het kaarsje is heel langzaam, heel vredig aan het doven. De arts wil of durft er geen uitspraak over te doen, maar een verpleegkundige had het vanavond over een week. Ik hoop dat de goede week ook een goede week wordt. Vanmiddag is hij bediend. Zijn enige reactie was dat hij ‘amen’ mompelde na het bidden van het Onzevader. Dat zit er voor altijd ingebakken. Na afloop werd hij nog gefeliciteerd ook, met het Sacrament van het Heilig Oliesel. Zijn laatste Sacrament. De stempelkaart is vol. De medaille zal worden uitgereikt door de Heilige Petrus.

19 March 2005
By on 01:04
teun

Toen ik, nadat ik voor de Kerst van het afgelopen jaar mijn haren had laten knippen, aan Peet, mijn kapper, prettige kerstdagen en een goeie roetsj wilde wensen, kwam deze met een flesje rood in de linkerhand naar mij toe gelopen. Een fles wijn van de kapper had ik nog nooit gehad en degene die voor mij was geknipt, verliet eerder met lege handen de kapsalon. Peet’s rechterhand stak recht vooruit alsof hij mij eraan wilde spiesen. Zijn pas was zo gestrekt alsof hij mij niet juist daarvoor het hele relaas van de amputatie van zijn rechter testikel, bal, kloot, zaadbal, teelbal van twee weken eerder had verteld, met details die zelfs een gynaecoloog zouden doen verbleken. Deze fles had niets met kerstmis en een roetsj te maken. Deze fles was mijn gouden handdruk zodat Peet voor nu en eeuwig verlost zou zijn van mijn voortdurend tegen hem uitgesproken twijfel over mijn haarschnitt.

Ik heb niets met haren op mijn lijf. Ik heb iets tegen haren op mijn lijf. Wekelijks trek ik met een pincet de haren die zich concentreren op het ‘dopje’ van mijn beide oren blind uit. Wekelijks scheer ik nauwgezet de haren in mijn neusgaten en het kuiltje onder mijn hals. De wenkbrauwen worden met kam, schaar en pincet in de aanslag in de gaten gehouden. Het oksel- en schaamhaar moet echt niet denken ooit langer dan twee centimeter te worden. Ik ben diep gelukkig dat ik geen haargroei op mijn rug en (oh God) mijn billen heb. Het lelijkst vind ik de haren op mijn voeten en tenen; die worden dan ook maandelijks geharst. Een klein jaar geleden ontstond er een jeukje diep in mijn rechteroor. Een jeukje dat wees op de groei van een haartje, dat ik wel even met de hulp van een van mijn overtolligehaargroei-pincetten zou elimineren. Inmiddels heb ik ervaren dat dit haartje zich niet laat vangen. Dit haar ligt diep in mijn oor opgerold als een slang te wachten totdat het haar giftanden in mijn hals kan slaan.

In het verpleeghuis waar mijn vader verblijft, woont een iemand mxe9xe9r. Hij heeft er geen bed, de tafel wordt niet voor hem gedekt, hij doet niet mee met de activiteiten. Hij heeft zijn eigen activiteit. Je ziet hem eigenlijk nooit en toch is iedereen zich van zijn aanwezigheid bewust. Soms meen je te zien dat een zwarte schim een kamer binnensluipt. Later hoor je dat mevrouw Peulen of meneer van Eck, de bewoner van die kamer, er niet meer is. Hij, de Dood, heeft zijn werk weer gedaan en wacht in een spelonk op een volgende gelegenheid.

7 March 2005
By on 14:36